ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ6433
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.F.M. Hofhuis
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn bij aanvraag verblijfsvergunning
De zaak betreft een geschil tussen eiser [A.] en de Staat over de overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning. [A.] diende zijn aanvraag in december 2003 en kreeg pas na ruim vijf jaar een beslissing, die nog in hoger beroep was. De Staat betaalde reeds dwangsommen over een deel van de periode.
De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar- en beroepsfase samen maximaal drie jaar bedraagt. De overschrijding van ruim twee jaar en één maand is toerekenbaar aan de Staat. De rechtbank volgde jurisprudentie waarin een vermoeden bestaat dat een dergelijke overschrijding immateriële schade veroorzaakt.
Hoewel [A.] geen expliciete schadevergoeding had gevorderd, kende de rechtbank een bedrag van €2.500 toe als vergoeding voor immateriële schade, gebaseerd op vaste jurisprudentie die per half jaar €500 toekent. De vordering tot betaling van aanvullende dwangsommen werd afgewezen omdat de minister reeds een besluit had genomen, zij het buiten termijn.
De Staat werd veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding met wettelijke rente, terwijl iedere partij haar eigen proceskosten draagt. De vordering van de Staat tot terugvordering van een deel van eerder betaalde dwangsommen werd afgewezen.
Uitkomst: De Staat is veroordeeld tot betaling van €2.500 immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van de verblijfsvergunningaanvraag.