ECLI:NL:RBSGR:2009:BK1129

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
21 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08-44521
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.4 VbArt. 3.6 VbArt. 3.17a VVArt. 7:15 AwbArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
15 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over onjuiste kwalificatie aanvraag verblijfsvergunning Ranov-regeling

Verzoeker heeft op 13 maart 2008 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van de Ranov-regeling. Verweerder heeft deze aanvraag ten onrechte aangemerkt als een aanvraag op grond van artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en daarop op 17 december 2008 een besluit genomen tot afwijzing.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder niet bevoegd was om de aanvraag op deze wijze te kwalificeren en het besluit te nemen, omdat de brief van verzoeker duidelijk alleen betrekking had op de Ranov-regeling. De ambtshalve bevoegdheid tot het verlenen van verblijfsvergunningen is limitatief en omvat niet de door verweerder gehanteerde beperking.

Daarom wordt het bezwaar tegen het besluit van 17 december 2008 gegrond verklaard en het besluit herroepen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaar gegrond is en het besluit wordt herroepen.

Uitkomst: Bezwaar gegrond verklaard, besluit van 17 december 2008 herroepen en kostenvergoeding toegekend; verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats Utrecht
Sector bestuursrecht
Vreemdelingenkamer
zaaknummer: AWB 08/44521
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1984, van gestelde Guinese nationaliteit, verzoeker,
gemachtigde: mr. M.H.R. de Boer, advocaat te Utrecht,
en
de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. E. Söylemez.
Inleiding
1.1 Aan de orde is het verzoek om een voorlopige voorziening hangende de behandeling van het bezwaarschrift van 7 januari 2009 tegen het besluit van 17 december 2008 strekkende tot afwijzing van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: "conform beschikking Staatssecretaris".
1.2 Ingevolge artikel 73, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt de werking van het besluit tot afwijzing van de aanvraag niet opgeschort. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat uitzetting achterwege dient te blijven, totdat op het bezwaar is beslist.
1.3 Het geding is behandeld ter zitting van 7 oktober 2009, waar verzoeker is verschenen. Verzoeker en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.
Overwegingen
2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan - onder meer - indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2 Ingevolge artikel 78 van Pro de Vw beslist de voorzieningenrechter van de rechtbank, indien een verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan teneinde uitzetting te voorkomen voordat is beslist op het bezwaar of het administratief beroep, dat is gericht tegen de beschikking tot afwijzing van de aanvraag of intrekking van de verblijfsvergunning, zoveel mogelijk tevens over dat bezwaar of administratief beroep.
2.3 De voorzieningenrechter ziet om de navolgende reden aanleiding om aan artikel 78 van Pro de Vw toepassing te geven.
2.4 Verzoeker heeft bij brief van 13 maart 2008 verzocht hem in aanmerking te laten komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling ‘afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet’ (hierna: de Ranov-regeling). Op grond van die brief heeft verweerder verzoeker op 27 maart 2008 de interne minuut toegezonden, waaruit blijkt dat verzoeker niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Op 28 maart 2008 is tegen de minuut bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar bij besluit van 29 mei 2008 niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft bij besluit van 26 februari 2009 het besluit van 29 mei 2008 ingetrokken, opnieuw op het bezwaar beslist en dit bezwaar ongegrond verklaard.
2.5 Verweerder heeft voornoemde brief van 13 maart 2008 aangemerkt als een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “conform beschikking Staatssecretaris”. Bij besluit van 17 december 2008 heeft verweerder die aanvraag afgewezen op de grond dat eiser niet beschikt over een machtiging tot voorlopig verblijf. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en hij heeft in dit kader verzocht om een voorlopige voorziening. Dit verzoek ligt thans ter beoordeling voor.
2.6 Artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw bepaalt dat de Minister bevoegd is ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen.
2.7 Artikel 3.4, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) bepaalt de beperkingen waaronder de Minister een verblijfsvergunning kan verlenen. Het derde lid bepaalt dat de Minister de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van Pro de Vw, ook kan verlenen onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid.
2.8 Artikel 3.6, eerste lid, van het Vb bepaalt dat een verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 14 van Pro de Vw, slechts ambtshalve kan worden verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken of verblijf als alleenstaande minderjarig vreemdeling. Op grond van het tweede lid kunnen bij ministeriële regeling andere beperkingen dan genoemd in het eerste lid worden aangewezen waaronder de verblijfsvergunning ambtshalve kan worden verleend.
2.9 Artikel 3.17a van het Voorschrift Vreemdelingen (VV) bepaalt dat als beperking, bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, van het Vb, worden aangewezen de beperkingen verband houdende met verblijf als meerderjarige ex-bama, afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet en voortgezet verblijf na verblijf op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet.
2.10 De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker bij brief van 13 maart 2008 heeft verzocht om een verblijfsvergunning op grond van de Ranov-regeling. Verweerder heeft bij brief van 27 maart 2008 aan verzoeker de minuut inzake de ambtshalve weigering van de verblijfsvergunning op grond van de Ranov-regeling doen toekomen. Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder andere de uitspraak van 3 december 2008, LJN: BG5955 en LJN: BG5956) is het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Ranov-regeling een handeling die op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw dient te worden gelijkgesteld met een besluit waartegen rechtsmiddelen openstaan. Zoals in rechtsoverweging 2.4 is aangegeven heeft verzoeker in het kader van die procedure een bezwaarprocedure doorlopen en is bij besluit van 26 februari 2009 het besluit van 29 mei 2008 ingetrokken en is het bezwaar alsnog ongegrond verklaard.
2.11 Artikel 14, eerste lid, van de Vw bepaalt dat verweerder bevoegd is tot het ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning. Deze bevoegdheid is beperkt tot de in artikel 3.6 van het Vb en artikel 3.17a van het VV genoemde beperkingen. De beperking waarover het besluit van 17 december 2008 gaat, valt niet onder de opgesomde beperkingen in het Vb en het VV. Deze ambtshalve beperkingen zijn, gelet op de bewoordingen van artikel 3.6 van het Vb, limitatief. Gelet op het stelsel van de wet en de daarin opgenomen regeling omtrent het verlenen van ambtshalve verblijfsvergunningen heeft verweerder - zo stelt de voorzieningenrechter ambtshalve vast - niet de ruimte om uit eigen beweging een ingediende aanvraag op te vatten als een aanvraag op grond van artikel 3.4, derde lid, van het Vb, indien uit de tekst noch de strekking van die brief volgt dat is gevraagd om een dergelijke verblijfsvergunning. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit de brief van 13 maart 2008 niet dat verzoeker beoogd heeft een aanvraag te doen als bedoeld in artikel 3.4, derde lid, van het Vb, nu uit de tekst en strekking van de brief volgt dat verzoeker alleen heeft verzocht om hem in aanmerking te laten komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Ranov-regeling. De brief van 13 maart 2008 is door verweerder ten onrechte aangemerkt als een aanvraag op grond van artikel 3.4, derde lid, van het Vb. De omstandigheid dat verweerder dit heeft gedaan uit oogpunt van zorgvuldigheid, mede gelet op de op dat moment bestaande onduidelijkheid of tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Ranov-regeling bezwaar kon worden gemaakt, kan hieraan - gelet op de imperatieve formulering van artikel 3.6 van het Vb - niet afdoen.
2.12 Uit het voorgaande volgt dat voor verweerder niet bevoegd was het besluit van 17 december 2008 te nemen.
2.13 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 78 van Pro de Vw het bezwaar tegen het besluit van 17 december 2008 gegrond verklaren, nu verweerder dit besluit in strijd met de artikelen 3.6 van het Vb en 3.17a van het VV heeft genomen. Voorts zal hij dit besluit, doende wat verweerder in bezwaar behoort te doen, herroepen.
2.14 De voorzieningenrechter ziet aanleiding om, doende wat verweerder in bezwaar behoort te doen, te bepalen dat verweerder op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb de kosten van verzoeker in de bezwaarprocedure zal vergoeden. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) begroot op € 322,- voor verleende rechtshulp, waarbij 1 punt is toegekend voor het indienen van het bezwaarschrift, waarde per punt € 322,-, met wegingsfactor 1.
2.15 Ter voorkoming van misverstanden overweegt de voorzieningenrechter, ten overvloede, dat verweerder niet nader zal dienen te beslissen op verzoekers aanvraag van 13 maart 2008.
2.16 Het verzoek om een voorlopige voorziening komt gelet op het voorgaande voor afwijzing in aanmerking.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
verklaart het bezwaar gegrond;
herroept het besluit van 17 december 2008;
veroordeelt verweerder in de kosten die verzoeker in het kader van het bezwaar tegen dit besluit heeft gemaakt tot een bedrag van € 322,-, te betalen aan verzoeker;
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Aldus vastgesteld door mr. K.J. Veenstra en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2009.
De griffier:
mr. K.S. Smits
De rechter:
mr. K.J. Veenstra
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.