ECLI:NL:RBSGR:2010:BO4158
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning asiel wegens toepassing artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Eiser, van Afghaanse nationaliteit, had een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd die op 7 april 2010 werd ingetrokken door verweerder op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (Vv). Eerder was reeds vastgesteld dat artikel 1F van toepassing is op eiser, hetgeen in rechte vaststaat na eerdere uitspraken en hoger beroep. Eiser voerde aan dat nieuw ingebrachte rapporten en verklaringen van deskundigen en derden aantonen dat het besluit onzorgvuldig is en dat de intrekking disproportioneel is vanwege zijn gezinssituatie en psychische schade.
De rechtbank oordeelt dat de nieuwe feiten en omstandigheden niet als zodanig kunnen worden aangemerkt omdat ze eerder hadden kunnen worden ingebracht en onvoldoende specifiek zijn toegespitst op de situatie van eiser. De rapporten bevatten aannames en onvoldoende objectieve bronnen. De rechtbank bevestigt dat artikel 3 EVRM Pro zich duurzaam verzet tegen uitzetting naar Afghanistan, maar dat het onthouden van een verblijfsvergunning niet disproportioneel is omdat eiser bij zijn gezin kan blijven en de omstandigheden niet uitzonderlijk genoeg zijn om van disproportionaliteit te spreken.
De rechtbank wijst het beroep af en oordeelt dat het recht op gezinsleven en privé-leven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro niet zodanig wordt geschonden dat toelating tot verblijf gerechtvaardigd is. Ook de stelling dat het onthouden van een verblijfsvergunning een vernederende behandeling inhoudt in de zin van artikel 3 EVRM Pro wordt verworpen. Het besluit tot intrekking blijft in stand en het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard vanwege toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag en het ontbreken van disproportionaliteit.