ECLI:NL:RBSGR:2011:BP6271
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning wegens onvoldoende individuele beoordeling artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag
Eiser, van Afghaanse nationaliteit, diende in 1997 een aanvraag in voor vluchtelingenstatus en een verblijfsvergunning. Na diverse procedures verleende verweerder hem uiteindelijk een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. In 2006 trok verweerder deze vergunning in op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, omdat eiser als officier bij de KhAD/WAD betrokken zou zijn geweest bij ernstige misdrijven.
De rechtbank oordeelt dat verweerder zich onzorgvuldig heeft opgesteld door zich uitsluitend te baseren op een ambtsbericht van 2000 zonder een individueel onderzoek te verrichten naar de specifieke feiten en de individuele verantwoordelijkheid van eiser. Het Hof van Justitie van de EU heeft in 2010 namelijk geoordeeld dat een dergelijke individuele beoordeling vereist is.
Verder concludeert de rechtbank dat het ambtsbericht als deskundigenbericht mag worden gebruikt, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel, wat hier niet het geval is. De door eiser aangevoerde rapporten en de UNHCR-Note bieden onvoldoende grond voor twijfel.
De rechtbank wijst ook de beroepen op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel af, omdat eiser op de hoogte was van het lopende onderzoek en geen expliciete toezegging had gekregen dat artikel 1(F) niet zou worden toegepast.
Uiteindelijk verklaart de rechtbank het beroep gegrond, vernietigt het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning en veroordeelt verweerder in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende individuele beoordeling en motivering.