ECLI:NL:RBSGR:2011:BP9826
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongewenstverklaring en intrekking verblijfsvergunning wegens betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen
Eiser, een Afghaanse vreemdeling, werd in 1999 toegelaten als vluchteling en kreeg een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Verweerder maakte in 2003 het voornemen bekend om deze vergunning in te trekken en eiser ongewenst te verklaren vanwege vermoedelijke betrokkenheid bij ernstige misdrijven volgens artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De intrekking werd in 2004 definitief, maar in eerdere procedures werd het besluit deels vernietigd wegens onvoldoende beoordeling van artikel 3 EVRM Pro.
In de onderhavige procedure betwist eiser de toepassing van artikel 1(F) en voert hij aan dat het algemeen ambtsbericht waarop verweerder zich baseert onvolledig en onjuist is, mede vanwege nieuwe informatie van de UNHCR. De rechtbank oordeelt echter dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser betrokken was bij mensenrechtenschendingen tijdens zijn werkzaamheden bij de [groepering 1], een eliteonderdeel dat bekend stond om foltering en onderdrukking.
Daarnaast faalt eisers beroep op artikel 3 EVRM Pro omdat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kan voldoen aan zijn vertrekplicht naar Oekraïne. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro met betrekking tot gezinsleven wordt verworpen wegens gebrek aan concrete onderbouwing. De rechtbank concludeert dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot ongewenstverklaring en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard.