ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ4256
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- F.H. Machiels
- R.M.M. Kleijkers
- A. Schutte
- Rechtspraak.nl
Ongewenstverklaring wegens toepassing artikel 1F Vluchtelingenverdrag en oorlogsmisdaden
Eiser, een Afghaanse staatsburger, is ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Dit besluit is gebaseerd op de toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, vanwege zijn betrokkenheid bij ernstige misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden gepleegd in Afghanistan tussen 1979 en 1989. Eiser is door het gerechtshof veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van oorlogsmisdaden.
De rechtbank overweegt dat de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet aan de ongewenstverklaring in de weg staan. Hoewel eiser een reëel risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Afghanistan, is hij niet uitgezet vanwege dit risico, maar wordt hem geen verblijfsvergunning verleend vanwege artikel 1F. De rechtbank stelt vast dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat terugkeer naar een ander land, zoals Rusland, onmogelijk is, en dat zijn omstandigheden niet leiden tot disproportionaliteit van de maatregel.
Verder weegt de rechtbank het recht op familie- en gezinsleven (artikel 8 EVRM Pro) af tegen het algemeen belang van bescherming van de openbare orde. Gezien de ernst van de gepleegde feiten en de onaantastbaarheid van de toepassing van artikel 1F, is de inmenging gerechtvaardigd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het argument van dubbele bestraffing worden verworpen. De rechtbank concludeert dat de belangenafweging zorgvuldig en voldoende gemotiveerd is en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de ongewenstverklaring van eiser wordt ongegrond verklaard en de maatregel blijft van kracht.