ECLI:NL:RVS:2009:BJ1546
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling bewijslast en disproportionaliteit bij ongewenstverklaring vreemdeling met terbeschikkingstelling
De zaak betreft het hoger beroep van zowel de vreemdeling als de staatssecretaris tegen een uitspraak van de rechtbank die de ongewenstverklaring van de vreemdeling vernietigde. De vreemdeling was terbeschikking gesteld en betoogde dat hij door deze maatregel niet aan zijn vertrekplicht kon voldoen, waardoor de ongewenstverklaring disproportioneel zou zijn.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris niet gevolgd kon worden in zijn standpunt dat de vreemdeling aannemelijk moet maken dat hij geen toegang kan verkrijgen tot enig ander land dan Iran. De vreemdeling draagt immers de bewijslast voor zijn stelling dat hij niet aan zijn vertrekplicht kan voldoen. Tevens wordt benadrukt dat de terbeschikkingstelling de vreemdeling niet hoeft te beletten om, eventueel met hulp van derden, zijn vertrek te bevorderen.
Verder weegt de Raad van State de belangen van de openbare orde en de ernst van het misdrijf mee tegen het familie- en gezinsleven van de vreemdeling met zijn meerderjarige zoon. Gezien de omstandigheden en de beoordelingsruimte van de staatssecretaris wordt de inmenging in het recht op familie- en gezinsleven gerechtvaardigd geacht. Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard, dat van de staatssecretaris gegrond, en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.