ECLI:NL:RVS:2008:BC1866
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid inbewaringstelling vreemdeling wegens risico uitzetting
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die de inbewaringstelling van een vreemdeling wegens het vermoeden van onttrekking aan uitzetting onterecht achtte. De vreemdeling was ongewenst verklaard en beschikte niet over een geldig identiteitsdocument volgens artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
De rechtbank had geoordeeld dat de staatssecretaris in redelijkheid had moeten volstaan met een lichter middel, omdat de vreemdeling het vermoeden van onttrekking voldoende had weerlegd en zijn belangen bij invrijheidstelling zwaar wogen. De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte haar eigen belangenafweging voor die van de staatssecretaris heeft gesteld, die op grond van de ernst van de situatie en het risico op onttrekking gerechtvaardigd was.
De Raad van State bevestigt dat de gronden voor inbewaringstelling, waaronder de ongewenstverklaring op basis van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, de maatregel kunnen dragen. Ook wordt geoordeeld dat de rechtbank niet mocht toetsen aan de bescherming op grond van artikelen 3 en 8 EVRM in dit stadium. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het beroep van de vreemdeling ongegrond en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de inbewaringstelling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.