ECLI:NL:RBSGR:2012:BW1014
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.C.H.M. Lips
- J.P.F. Slijpen
- E.J.W. Heithuis
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale waardering pensioenverplichting met rekenrente en leeftijdsterugstellingen
De zaak betreft een geschil tussen een 100%-dochtervennootschap (eiseres) en de Belastingdienst over de fiscale waardering van een pensioenverplichting die door eiseres is overgenomen van haar moedermaatschappij. De kern van het geschil is of de inspecteur bij de aanslag vennootschapsbelasting terecht een rekenrente van ten minste 4% heeft toegepast en of leeftijdsterugstellingen bij de waardering mogen worden meegenomen.
Eiseres had de pensioenverplichting gewaardeerd tegen de netto actuariële koopsom met een rekenrente van 3,23% en met leeftijdsterugstellingen, terwijl de inspecteur een correctie toepaste naar een rekenrente van 4% en zonder leeftijdsterugstellingen. De rechtbank oordeelt dat artikel 3.29 van de Wet IB 2001 een minimumrekenrente van 4% voorschrijft en dat het Besluit van 3 juli 2008 geen vertrouwen geeft om een lagere rente te hanteren.
Verder is vastgesteld dat eiseres een lichaam is als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet LB 1964, waardoor op grond van artikel 8, zesde lid, Wet Vpb 1969 geen rekening mag worden gehouden met leeftijdsterugstellingen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen vanwege de ruime beoordelingsmarge van de wetgever.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee de aanslag zoals vastgesteld door de inspecteur.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de aanslag met toepassing van een rekenrente van ten minste 4% en zonder leeftijdsterugstellingen.