ECLI:NL:RBSGR:2012:BX5127
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in vreemdelingenprocedure
Eiser, van Iraanse nationaliteit, diende in 1999 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning onder de beperking medische behandeling. Na meerdere besluiten, bezwaren en een eerdere vernietiging door de rechtbank, verleende de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) uiteindelijk in 2011 een verblijfsvergunning. Eiser stelde vervolgens beroep in tegen de ingangsdatum van deze vergunning.
De rechtbank stelde vast dat het bezwaar van eiser op 24 juni 2003 werd ontvangen en dat de redelijke termijn voor besluitvorming uiterlijk 24 juni 2006 had moeten zijn verstreken. De IND besloot echter pas op 30 augustus 2011, waardoor de redelijke termijn met ruim vijf jaar werd overschreden. De rechtbank rekende deze overschrijding volledig toe aan de IND, aangezien er geen onredelijke vertraging door de rechterlijke instanties was.
De rechtbank oordeelde dat de overschrijding niet gerechtvaardigd was gezien de complexiteit van de zaak, het procesverloop en het belang voor eiser. De vergoeding voor immateriële schade werd vastgesteld op €5.500, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast werden proceskosten en griffierecht aan eiser toegekend. Het beroep werd gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, waarbij de rechtsgevolgen van het besluit in stand bleven.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst tot betaling van €5.500 vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.