Uitspraak
200608917/1en het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007 (LJN: AZ8751), overwogen dat de staatssecretaris het verzoek om vergoeding van materiële schade terecht heeft afgewezen, omdat niet is voldaan aan het in artikel 6:163 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) neergelegde relativiteitsvereiste.
200802629/1, vangt de redelijke termijn in zaken waarin een bezwaarprocedure geldt aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. De uitsluiting van de bezwaarschriftenprocedure in asielzaken is neergelegd in artikel 80 van Pro de Vw 2000. Ter vervanging daarvan is een voornemenprocedure gekomen. De staatssecretaris dient alvorens een aanvraag af te wijzen de vreemdeling van het voornemen daartoe en de gronden daarvoor op de hoogte te stellen, zodat deze daarop kan reageren met een zienswijze. Het voornemen is niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar vormt een onderdeel van de procedure die voorafgaat aan de totstandkoming van het besluit op aanvraag. Van een geschil is eerst sprake als afwijzend op een aanvraag wordt beslist en daartegen beroep wordt ingesteld, omdat eerst dan sprake is van een in een besluit vastgelegd standpunt waartegen de vreemdeling kan opkomen. De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 10 juni 2009 (LJN: BI8287) in een andersoortige zaak een vergelijkbaar standpunt ingenomen. Voorts wijst de Afdeling op haar uitspraak van 23 mei 2007 in zaak
200510017/1, waarin ter bepaling van de aanvang van de redelijke termijn evenmin is gekozen voor het indienen van een zienswijze tegen een ontwerp-bestemmingsplan en de tijdsduur die is gemoeid met de voorbereiding en vaststelling van een bestemmingsplan derhalve buiten beschouwing blijft.
200704888/1, en van de Centrale Raad voor Beroep, zie onder meer de uitspraak van 26 januari 2009 (LJN: BH1009), dat € 500,00 per half jaar overschrijding wordt toegekend en dat naar boven zal worden afgerond in de zin dat ook bij een overschrijding van minder dan een half jaar in beginsel € 500,00 wordt toegekend. Anders dan [appellant sub 1] betoogt, kan het rapport niet dienen als grondslag voor het toekennen van een hogere vergoeding. Voorts kan vrijheidsontneming niet op een lijn worden gesteld met de situatie waarin in een procedure omtrent een verblijfsrecht lange tijd verstrijkt en de conclusie moet worden getrokken dat de redelijke termijn is overschreden.
200802629/1en op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 juni 2009 (LJN: BI8665).