ECLI:NL:RBUTR:2009:BH8652
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in WAO-procedure
Eiser stelde beroep in tegen het besluit van het UWV dat een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toekende in het kader van zijn WAO-uitkering. De procedure duurde ruim vier jaar en tien maanden, waarbij de rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn was overschreden. Het UWV kende een vergoeding toe van €1.080,-, gebaseerd op een richtlijn van €60 per maand overschrijding.
Eiser betoogde dat de vergoeding onvoldoende was en verwees naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), stellende dat een hogere vergoeding passend was. De rechtbank verwierp dit en stelde dat het UWV adequaat had gecompenseerd. Daarnaast wees de rechtbank het verzoek van eiser af om de Staat der Nederlanden te betrekken bij de procedure wegens het aandeel van de bestuursrechter(s) in de vertraging, omdat eiser geen verzoek ex artikel 8:73 Awb Pro had ingediend.
De rechtbank benadrukte dat eiser een zelfstandig schadebesluit kan uitlokken bij de minister van Justitie voor het aandeel van de rechterlijke instanties in de overschrijding, en dat de procesrechtelijke eisen daarbij niet in de weg staan. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot betrokkenheid van de Staat afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het schadebesluit van het UWV wordt ongegrond verklaard en het verzoek om de Staat te betrekken wordt afgewezen.