ECLI:NL:CRVB:2008:BD7033
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Herziening arbeidsongeschiktheidsuitkering en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Appellant stopte in 1988 met werken wegens een maagcarcinoom en ontving sindsdien een WAO-uitkering. In 2002 herzag het UWV de uitkering op basis van medische en arbeidskundige rapporten, waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage werd vastgesteld op 35 tot 45%. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, waarna het UWV het bezwaar gegrond verklaarde en de uitkering per 3 juli 2003 herzag.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende inzichtelijkheid van het gebruikte beoordelingssysteem (CBBS), maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Het hoger beroep richtte zich tegen deze instandhouding. De Raad bevestigde de medische beoordeling en oordeelde dat het CBBS als hulpmiddel toelaatbaar was. Wel stelde de Raad vast dat de aanzegging van de nieuwe functies alleen aan de gemachtigde was gedaan, wat niet voldeed aan de vereiste duidelijke aanzegging aan appellant zelf.
Hierdoor kon de intrekking van de uitkering niet eerder ingaan dan zes maanden na de datum waarop appellant daadwerkelijk op de hoogte was gesteld, namelijk 15 november 2003. De Raad vernietigde de beslissing van de rechtbank en besloot zelf de uitkering per die datum in te trekken. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van renteschade en proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij de Staat als partij werd betrokken voor verdere afhandeling van het schadevergoedingsverzoek.
Uitkomst: De WAO-uitkering wordt per 15 november 2003 herzien en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van renteschade en proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn.