ECLI:NL:RBUTR:2010:BP1552
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Teruggeleiding minderjarige naar Guatemala na internationale kinderontvoering
De zaak betreft een verzoek tot teruggeleiding van een minderjarige die door de moeder zonder toestemming van de vader van Guatemala naar Nederland is gebracht. De rechtbank oordeelt dat de overbrenging ongeoorloofd is, aangezien beide ouders gezamenlijk het gezag uitoefenden. De moeder voerde verweren aan op grond van weigeringsgronden uit het Haagse Verdrag en het EVRM, waaronder gevaar voor het kind en het verzet van de minderjarige.
De rechtbank stelt vast dat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die de teruggeleiding rechtvaardigen. De individuele omstandigheden van het kind rechtvaardigen geen uitzondering op de teruggeleiding, en het verzet van de minderjarige wordt niet als voldoende rijp beschouwd om haar mening te laten prevaleren. Ook het beroep op artikel 20 van Pro het Haagse Verdrag en artikel 8 EVRM Pro wordt verworpen.
De rechtbank beveelt de terugkeer van de minderjarige op 7 februari 2011 en bevestigt de afspraken uit het Memorandum of Understanding over omgangsregelingen. Verzoeken tot verbod op het meenemen van het kind buiten Nederland en afgifte van reisdocumenten worden afgewezen. De moeder wordt veroordeeld in de proceskosten vanwege het herhaaldelijk meenemen van de minderjarige zonder toestemming.
Uitkomst: De rechtbank beveelt de terugkeer van de minderjarige naar Guatemala en veroordeelt de moeder in de proceskosten.