Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over het privégebruik van een auto die tot zijn bedrijfsvermogen behoort. De heffing was gebaseerd op een forfaitaire berekeningsmethode volgens artikel 15 van Pro de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968.
De Hoge Raad oordeelde dat deze forfaitaire methode niet proportioneel rekening houdt met het daadwerkelijke privégebruik en daarmee in strijd is met artikel 6 en Pro 11 van de Zesde richtlijn. De rechtbank moest daarom beoordelen of belanghebbende aannemelijk had gemaakt dat de werkelijke kosten lager waren dan de forfaitaire heffing.
Belanghebbende kon dit niet met bewijs onderbouwen, ondanks herhaalde verzoeken daartoe. De rechtbank concludeerde dat de naheffingsaanslag terecht en correct was opgelegd en verklaarde het beroep ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter D. Hund en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van griffier M.C.W. Hermus.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werkelijke kosten van privégebruik lager zijn dan de forfaitaire heffing.