Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
De Wabo staat er aan in de weg om een eerste fase omgevingsvergunning aan te vragen voor planologisch strijdig gebruik om op een bepaalde locatie bijvoorbeeld 100 woningen te realiseren en vervolgens later afzonderlijke tweede fase omgevingsvergunningen aan te vragen voor het bouwen van die woningen. Beoordeeld naar de letter van de wet lijkt het althans uitsluitend de bedoeling dat in zo’n situatie ook in één keer voor alle woningen tegelijk een tweede fase vergunning voor het bouwen daarvan wordt aangevraagd. Daarmee is met de Wabo een faseringsmogelijkheid verloren gegaan, die onder het oude systeem van de Wro en Woningwet nog wel bestond. Toen kon immers een separaat vrijstellingsbesluit ingevolge de oude WRO, of projectbesluit onder de nieuwe Wro, ten behoeve van 100 woningen worden verleend, terwijl later voor de afzonderlijke woningen aparte bouwvergunningverlening mogelijk was”.
overgangsrecht ten aanzien van «ontheffingsbesluiten» op provinciaal niveau die zijn vastgesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe uitdrukkelijke ontheffingsmogelijkheid”. De rechtbank begrijpt de beide bepalingen, bezien in het licht van deze toelichting, aldus dat artikel 4.1a, eerste lid, van de Wro sedert 1 oktober 2012 een wettelijke grondslag biedt voor het verlenen van ontheffingen van bij provinciale verordening gestelde algemene regels en dat de voor die tijd verleende ontheffingen, hier aangeduid als toestemmingsbesluiten, hiermee worden gelijkgesteld. Eisers hebben betoogd dat van gelijkstelling geen sprake kan zijn omdat de Vr 2012 geen ontheffingsmogelijkheid kent, maar daarmee gaan zij er aan voorbij dat de ontheffing ten behoeve van vergunninghouder is aangevraagd en verleend onder de gelding van de Vr 2011 en daarom getoetst moet worden aan de Vr 2011. De vraag of verweerder de aanvraag om de in geding zijnde omgevingsvergunning eerste fase heeft kunnen inwilligen op basis van een ontheffing op grond van de Vr 2011, zal hierna aan de orde komen. Overigens oordeelde de AbRS onder meer in haar uitspraak van 13 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW8172, dat een ontheffingsregeling vóór de inwerkingtreding van artikel 4.1a, eerste lid, van de Wro, niet onverbindend is om de enkele reden dat niet voorzien was in een uitdrukkelijke grondslag voor de bevoegdheid ontheffingen te verlenen van algemene regels in provinciale verordeningen.
Het aanleggen van een uitrit (artikel 2.2, eerste lid, sub e, van de Wabo)
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover betrekking hebbend op ‘het gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’ en ‘het oprichten en in werking hebben van een varkenshouderij’;
- draagt verweerder op binnen 26 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op de vergunningaanvraag te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op aan eisers sub 1 en sub 2 het door hen betaalde griffierecht van € 318,-- te vergoeden;
- draagt verweerder op aan eisers sub 3 t/m sub 5 het door hen betaalde griffierecht van € 160,-- te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser sub 1 en sub 2 tot een bedrag van € 974,--;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser sub 3 t/m sub 5 tot een bedrag van € 974,--.
.