Verzoekster is sinds 2008 in dienst bij verweerster als Finance/HR-manager en meldde zich in 2013 ziek vanwege overbelasting. Ondanks ziekte bleef zij werkzaamheden verrichten, maar meldde zich in 2014 volledig arbeidsongeschikt. Er ontstonden problemen rond de re-integratie, waarbij het UWV oordeelde dat de werkgever voldoende had gedaan, maar verzoekster stelde dat de werkgever ernstig verwijtbaar had gehandeld.
Na mediation en deskundigenoordelen bleef de arbeidsrelatie verstoord. Verzoekster verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671c BW wegens omstandigheden die billijkheidshalve beëindiging rechtvaardigen, met een vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.
De kantonrechter oordeelde dat de verhoudingen tussen partijen zodanig verstoord zijn dat voortzetting niet van verzoekster kan worden gevergd en stemde in met ontbinding per 1 mei 2016. Echter, ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever werd niet vastgesteld, mede gelet op het oordeel van het UWV en het ontbreken van bewijs dat de werkgever het dienstverband alleen in stand hield om een transitievergoeding te ontlopen.
De gevorderde transitie- en billijke vergoeding werden afgewezen. Verzoekster kreeg de gelegenheid het verzoek tot ontbinding in te trekken, waarbij zij in dat geval de proceskosten van verweerster zou moeten betalen. De kantonrechter bepaalde dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.