ECLI:NL:RBZWB:2017:2142
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering voorschot huurtoeslag 2016 wegens onvoldoende betalingsbewijs
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 5 september 2016 van de Belastingdienst/Toeslagen inzake het voorschot huurtoeslag 2016. De Belastingdienst stelde dat huurtoeslag alleen kan worden toegekend indien daadwerkelijk huurkosten zijn gemaakt en dit aantoonbaar is, waarbij contante betalingen moeten worden onderbouwd met kwitanties. Vanaf mei 2016 werd de huur via overschrijving betaald, waardoor vanaf die datum recht op huurtoeslag bestond.
Eiseres betoogde dat zij sinds 2013 recht heeft op huurtoeslag en dat eerdere toekenningen voor 2013 en 2014 en de daarbij aangeleverde stukken, waaronder onttrekkingen uit het bedrijf van de toeslagpartner en jaarrekeningen, ook voor 2016 als bewijs zouden moeten gelden. Zij deed een beroep op het vertrouwensbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat de stukken voor eerdere jaren niet inhoudelijk waren beoordeeld en dat de Belastingdienst terecht stelde dat de stukken onvoldoende bewijs vormen voor het maken van huurkosten in 2016. De verklaring van de verhuurder dat huur contant werd ontvangen, was onvoldoende, zeker gezien de familieband tussen verhuurder en toeslagpartner. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat eerdere toekenningen niet impliceren dat ook voor 2016 recht bestaat.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit om het voorschot huurtoeslag voor de periode tot 1 mei 2016 op nihil te stellen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot nihilstelling van het voorschot huurtoeslag 2016 wordt ongegrond verklaard.