Belanghebbende exploiteert een attractiepark met een parkeerterrein en fietsenstalling. De vraag was of het parkeren en stallen van fietsen als een bijkomende dienst bij het verlenen van toegang tot het park moet worden gezien, zodat het verlaagde btw-tarief van 6% van toepassing is.
De rechtbank stelt vast dat het parkeren en stallen van fietsen zelfstandige diensten zijn en geen bijkomende diensten bij het parkbezoek. Het parkeren wordt door bezoekers als een doel op zich ervaren en is niet slechts een middel om het parkbezoek aantrekkelijker te maken. De vergoeding voor parkeren heeft een substantieel effect op de totale prijs, wat wijst op een zelfstandige prestatie.
De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad en het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, die deze lijn bevestigen. De door belanghebbende aangevoerde nieuwe feitelijke omstandigheden en jurisprudentie leiden niet tot een ander oordeel.
Daarom verklaart de rechtbank de beroepen ongegrond en wijst zij de teruggaaf van btw af. Het verlaagde tarief is niet van toepassing op het parkeren en stallen van fietsen.