Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, eigenaar van een unit in een bedrijfsverzamelgebouw, maakte bezwaar tegen BIZ-aanslagen over 2013, 2014 en 2015. De aanslagen zijn opgelegd op basis van een Verordening die door een draagvlakmeting is vastgesteld. Een collega-ondernemer uit hetzelfde pand had eerder met succes betoogd dat de Verordening onverbindend was wegens een procedurele fout bij de draagvlakmeting.
De rechtbank oordeelt dat de bezwaren over 2013 en 2014 niet-ontvankelijk zijn wegens niet-tijdig ingediende bezwaren. De overschrijding van de termijn wordt niet verschoonbaar geacht, ook niet vanwege een vermeende uitlating van een raadsheer in een andere procedure. Voor 2015 is het bezwaar inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende pas na de draagvlakmeting eigenaar werd, waardoor de procedurele fout die het hof bij de collega-ondernemer vond, niet jegens belanghebbende is gemaakt. De Verordening is daarom verbindend voor belanghebbende. Tevens wordt geoordeeld dat de gehanteerde staffel voor de BIZ-bijdrage niet in strijd is met het gelijkheids- of evenredigheidsbeginsel en dat de bijdrage niet willekeurig of onredelijk is.
De beroepen worden ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De beroepen tegen de BIZ-aanslagen 2013-2015 worden ongegrond verklaard en de Verordening is verbindend voor belanghebbende.