Belanghebbende, eigenaar van een garagebox op bedrijventerrein [A], werd aangeslagen voor een bijdrage in de bedrijfsinvesteringszone (BIZ) [A] te [woonplaats]. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd de aanslag vernietigd. De heffingsambtenaar stelde hoger beroep in bij het hof.
Tijdens de zitting verscheen belanghebbende, de heffingsambtenaar niet. Het hof stelde vast dat de uitnodiging op correcte wijze was verzonden en ontvangen. Het geschil betrof de vraag of de verordening verbindend was jegens belanghebbende, waarbij de draagvlakmeting centraal stond.
Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk had gemaakt dat belanghebbende het stembiljet had ontvangen, terwijl belanghebbende en mede-eigenaren verklaarden niet geïnformeerd te zijn. Hierdoor was artikel 4, tweede lid, van de Wet BIZ geschonden, waardoor de verordening onverbindend is jegens belanghebbende.
De rechtbank had de uitspraak op bezwaar vernietigd zonder rekening te houden met het feit dat aanslag II terecht was vernietigd, waardoor de uitspraak niet in stand kon blijven. Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de aanslagen en legde een griffierecht van €478 op aan de heffingsambtenaar. Proceskosten werden niet toegewezen.