Belanghebbende deed in 2014 vrijwillig aangifte van buitenlands vermogen dat in eerdere jaren niet was opgegeven. De inspecteur legde een navorderingsaanslag met boete op voor de jaren 2003-2013. Belanghebbende betwistte de boete voor de jaren tot 30 juni 2009, stellende dat de oude inkeerregeling gold toen de feiten werden begaan, waardoor geen vergrijpboete opgelegd mocht worden.
De rechtbank analyseerde de oude en nieuwe inkeerregeling, de overgangsrechtelijke bepalingen en de relevante artikelen uit het EVRM en IVBPR. Gelet op jurisprudentie van het EHRM en de Hoge Raad concludeerde de rechtbank dat de nieuwe inkeerregeling ook op deze zaak van toepassing is, omdat de inkeer plaatsvond na de overgangstermijn. Hierdoor is geen sprake van een zwaardere straf dan op het moment van het begaan van het feit.
De rechtbank wees het beroep af, maar verminderde de boete met 5% wegens overschrijding van de redelijke termijn. Er werd geen aanleiding gezien voor prejudiciële vragen. De uitspraak bevestigt dat de wetgever ruimte heeft om inkeerregelingen aan te passen en dat dit niet in strijd is met fundamentele mensenrechten zolang de belastingplichtige voldoende gelegenheid heeft gehad om in te keren.