Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.4. Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde beroepen tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en successierecht opgelegd aan de erven van vader, moeder en broer. Belanghebbende, een van de erven, was gebonden aan een vaststellingsovereenkomst waarin afstand werd gedaan van het recht op bezwaar en beroep, waardoor het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard.
De rechtbank stelde vast dat sprake was van een nieuw feit omdat het vermogen van een Liechtensteinse Anstalt, waarvan vader en moeder begunstigden waren, nooit in de aangiften was verantwoord. Dit vermogen werd fiscaal als vermogen van vader en moeder aangemerkt. De rechtbank oordeelde dat de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar van toepassing is op het vermogen dat via deze buitenlandse entiteit wordt aangehouden, ook al bevond een deel van het vermogen zich op Nederlandse bankrekeningen.
De rechtbank verwierp het verweer dat de vaststellingsovereenkomst onder dwang of misleiding tot stand was gekomen en benadrukte dat de voorbehouden in de overeenkomst niet van toepassing waren op de huidige beroepen. De navorderingsaanslagen werden daarom bevestigd en de beroepen ongegrond verklaard.
Uitkomst: De beroepen tegen de navorderingsaanslagen worden ongegrond verklaard en de verlengde navorderingstermijn is van toepassing op het vermogen via de buitenlandse entiteit.