Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Gronden
2.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2012, 2013 en 2014, waaronder een verzuimboete voor 2013. De kern van het geschil betrof de vraag of de forfaitaire rendementsheffing in box 3 in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM (eigendomsgarantie) en of de verzuimboete terecht is opgelegd.
De rechtbank verwijst naar eerdere arresten van de Hoge Raad waarin is geoordeeld dat het forfaitaire stelsel niet in strijd is met artikel 1 EP Pro, mits het forfaitaire rendement een redelijke benadering is van het werkelijke rendement over een langere periode. Hoewel belanghebbende stelde dat het forfaitaire rendement van 4% niet meer haalbaar zou zijn in de jaren 2012-2014, oordeelt de rechtbank dat de wetgever binnen zijn ruime beoordelingsmarge pas per 1 januari 2017 het forfait heeft aangepast. De vraag naar de adequaatheid van deze wijziging valt buiten het geschil.
Voorts heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij een individuele buitensporige last draagt door het forfaitaire stelsel. Zijn stellingen over kosten en belastingdruk konden niet worden onderbouwd met specifieke feiten die voor hem afwijken van andere belastingplichtigen.
Ten aanzien van de verzuimboete overweegt de rechtbank dat de ontvangstdatum bepalend is voor tijdigheid van de aangifte, niet de verzenddatum. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat de aangifte te laat is ontvangen. Belanghebbende heeft onvoldoende feiten aangevoerd om afwezigheid van verwijt aan te tonen. De boete van €49 wordt passend en geboden geacht.
De beroepen worden ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen van belanghebbende worden ongegrond verklaard en de aanslagen en boete worden gehandhaafd.