Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende verkocht in 2009 twee percelen grond waarvan de opbrengst door de inspecteur werd belast als resultaat uit overige werkzaamheden (ROW). Eerder was al geprocedeerd over de jaren 2006 en 2008 omtrent de vraag of deze percelen tot het ROW-vermogen behoorden. De inspecteur stelde dat op grond van afspraken in een hoorgesprek belanghebbende niet opnieuw over 2009 mocht procederen. De rechtbank verwierp dit standpunt omdat ieder belastingjaar op zichzelf staat en de afspraak niet inhield dat rechtsmiddelen voor 2009 werden opgegeven.
De rechtbank bevestigde dat het eerste perceel reeds eind 2006 tot het ROW-vermogen behoorde, en dat dit volgens het beginsel van balanscontinuïteit ook in 2009 het geval was. Het beroep op de foutenleer om deze uitspraak te herzien werd afgewezen omdat een onjuiste rechterlijke uitspraak geen fout in die zin vormt.
Voor het tweede perceel was onvoldoende grond om aan te nemen dat dit ook tot het ROW-vermogen behoorde op basis van eerdere procedures. De rechtbank beoordeelde daarom afzonderlijk of het tweede perceel als werkzaamheidsvermogen moest worden aangemerkt. Gezien de sterke samenhang tussen de percelen en de overeenkomsten met betrekking tot beide percelen, concludeerde de rechtbank dat ook het tweede perceel tot het werkzaamheidsvermogen behoorde en het resultaat uit de verkoop als belastbaar ROW moest worden aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de aanslag zoals verminderd bij uitspraak op bezwaar. Er werd geen aanleiding gezien tot vermindering van de heffingsrente of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting over 2009 wordt bevestigd als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden.