Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende leverde non-ferrometalen aan een afnemer die geen geldig btw-identificatienummer kon overleggen en van wie de identiteit niet bekend was. Ondanks het vermelden van 'BTW verlegd' op facturen, oordeelt de rechtbank dat de verleggingsregeling niet van toepassing is omdat de identiteit van de afnemer niet vaststaat.
De rechtbank stelt vast dat de leveringen in Nederland plaatsvonden en dat de omzetbelasting in principe door belanghebbende verschuldigd is. De verleggingsregeling is bedoeld om fraude tegen te gaan en vereist dat de identiteit van de afnemer bekend is. Omdat dit niet het geval was, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.
Verder heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De overschrijding wordt deels toegerekend aan belanghebbende vanwege uitstelverzoeken, maar het restant leidt tot een vergoeding van €3.500, verdeeld tussen de inspecteur en de Minister voor Rechtsbescherming.
De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, evenals de Minister voor Rechtsbescherming voor een deel van de immateriële schade en proceskosten. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag blijft in stand; belanghebbende krijgt vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding.