Belanghebbende is in beroep gekomen tegen een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2014 en een naheffingsaanslag omzetbelasting 2015 met boetebeschikking. De rechtbank beoordeelde of belanghebbende een voorziening mocht vormen voor een terugbetalingsverplichting van een managementvergoeding en of de naheffingsaanslag en boete terecht waren opgelegd.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij gehouden was tot terugbetaling van de managementvergoeding en dat daardoor geen voorziening gevormd mocht worden. De navorderingsaanslag vennootschapsbelasting werd daarom gehandhaafd. Ten aanzien van de naheffingsaanslag omzetbelasting stelde de rechtbank vast dat de inspecteur de feiten voldoende had onderbouwd en belanghebbende deze niet gemotiveerd had betwist.
De boete werd verminderd tot 25% wegens grove schuld, omdat er geen strafverzwarende omstandigheden waren. Tevens werd de boete met 10% gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan belanghebbende.