Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het procesverloop
2.De feiten
“(…) op grond van de artikelen 3:44 lid 4 BW (misbruik van omstandigheden), 6:74 BW (wanprestatie), 6:162 BW (onrechtmatige daad), 6:194 BW (misleidende reclame) en 6:228 (dwaling)”.Verder heeft de gemachtigde van [eisende partij in conventie, gedaagde in reconventie] [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] gesommeerd “
om binnen twee weken na heden alle door cliënt aan u betaalde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente, terug te betalen (…)”.
alle door cliënt betaalde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente (…) en vermeerderd met € 500,- aan buitengerechtelijke kosten” te betalen aan [eisende partij in conventie, gedaagde in reconventie]
3.Het geschil
4.De beoordeling
het middellijk of onmiddellijk deelnemen in het kapitaal van deze instelling;
het verrichten van effectentransacties voor deze instelling;
het aanbrengen van cliënten of effectenorders voor rekening van cliënten bij deze instelling;
het accepteren van door deze instelling aangebrachte cliënten of cliëntenorders.”
Labouchere Beleggingsproducten
1.5 Tussenpersonen kwalificeerden onder de werking van de toenmalige Wet Toezicht Effectenverkeer 1995 (‘Wte’) als cliëntenremisiers. De werkzaamheden van de tussenpersonen zijn zelden beperkt gebleven tot werkzaamheden van een cliëntenremisier in strikte zin, namelijk tot het aanbrengen van een cliënt bij een effecteninstelling. Doorgaans is er daarnaast sprake geweest van het geven van beleggingsadvies (…)”.