ECLI:NL:RBZWB:2019:3889
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid ontnemingsvordering na oplichting bevestigd ondanks proces-verbaalfout
Veroordeelde is in 2017 veroordeeld voor meervoudige oplichting. Het openbaar ministerie vordert ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €160.925,56. De verdediging betwist de ontvankelijkheid wegens het ontbreken van een formele aankondiging van de ontnemingsvordering in het proces-verbaal van de terechtzitting.
De officier van justitie stelt dat het voornemen tot ontneming wel degelijk is aangekondigd tijdens de zitting van 11 juli 2017, hetgeen blijkt uit de vordering ter terechtzitting en zittingsaantekeningen van de griffier en een rechter. De rechtbank onderzoekt deze stellingen en constateert dat het proces-verbaal abusievelijk geen vermelding bevat van de aankondiging, maar dat de zittingsaantekeningen en de overgelegde vordering dit wel bevestigen.
De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Hoge Raad die stelt dat het proces-verbaal in principe de enige kenbron is, maar onder bijzondere omstandigheden ook andere stukken kunnen worden betrokken. De rechtbank concludeert dat de aankondiging wel degelijk heeft plaatsgevonden en dat de verdediging hiervan op de hoogte was.
Daarmee wordt het doel van artikel 311 Sv Pro bereikt en is het openbaar ministerie ontvankelijk in de ontnemingsvordering. De rechtbank besluit het onderzoek te heropenen en te schorsen, met een nader te bepalen vervolgdatum.
Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering van €160.925,56 en het onderzoek wordt heropend en geschorst.