Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een Rijnvarende woonachtig in Nederland, was in 2014 werkzaam aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart werd gebruikt en geëxploiteerd door een Nederlandse onderneming. Hoewel hij in dienst was bij een Luxemburgse werkgever en een E101-verklaring van Luxemburg had ontvangen, oordeelt de rechtbank dat deze verklaring geen bindende werking heeft voor de periode na 1 mei 2010.
De rechtbank stelt vast dat op grond van de Rijnvarendenovereenkomst en Verordening (EG) 883/2004 de sociale verzekeringsplicht wordt bepaald door het land waar de exploitant van het schip is gevestigd, in dit geval Nederland. Belanghebbende is daarom premieplichtig voor de Nederlandse volksverzekeringen.
Belanghebbende voerde aan dat de E101-verklaring gevolgd moest worden en dat het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel was geschonden. De rechtbank verwierp dit omdat de verklaring niet in het kader van het Rijnvarendenverdrag was afgegeven en bovendien was ingetrokken met terugwerkende kracht. Ook het beroep op het doeltreffendheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel werd verworpen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2014 terecht is opgelegd. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de premieplicht voor de Nederlandse volksverzekeringen over 2014.