Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft over de jaren 2013 en 2014 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) gedaan met een nihil inkomen, terwijl hij in werkelijkheid wel inkomsten moet hebben gehad. De inspecteur heeft navorderingsaanslagen opgelegd waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning is vastgesteld op €30.000 per jaar en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen op basis van een in beslag genomen bedrag van €120.000.
De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, waardoor de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. Belanghebbende slaagt er niet in overtuigend aan te tonen dat de aanslagen onjuist zijn. De schatting van het belastbaar inkomen uit werk en woning door de inspecteur is gebaseerd op NIBUD-standaardbedragen en wordt als redelijk beschouwd.
Wat betreft het belastbare inkomen uit sparen en beleggen stelt de rechtbank dat het beslag op de contanten geen waardedrukkende factor vormt. Ondanks het feit dat belanghebbende niet over het geld kon beschikken, blijft het bedrag onderdeel van zijn vermogen en dient het te worden meegenomen in de heffing.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep tegen de navorderingsaanslagen over 2013 en 2014 wordt ongegrond verklaard.