Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen beslissingen van de inspecteur inzake de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) voor elf verschillende Honda-motorvoertuigen. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende onvoldoende heeft onderbouwd dat de verschuldigde Bpm te hoog is vastgesteld en wijst de beroepen daarom af.
De rechtbank behandelt diverse geschilpunten, waaronder de bewijslastverdeling, toepassing van Unierecht, ex-rentalkorting, Btw/marge-korting, bijstelling dealersituatie en het gebruik van koerslijsten. De stellingen van belanghebbende worden grotendeels verworpen, mede vanwege eerdere jurisprudentie en onvoldoende onderbouwing.
Daarnaast kent de rechtbank een vergoeding van € 500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn met drie maanden, waarbij deze overschrijding volledig aan de beroepsfase wordt toegerekend. De Minister wordt veroordeeld tot betaling van deze vergoeding, proceskosten van € 787,50 en vergoeding van het betaalde griffierecht van € 2.366.
Verzoeken tot vergoeding van materiële schade en rentevergoeding worden afgewezen, evenals het verzoek om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. De rechtbank bepaalt dat wettelijke rente verschuldigd is indien de toegekende vergoedingen niet binnen vier weken worden betaald.
Uitkomst: De beroepen tegen de Bpm-heffing worden ongegrond verklaard, met toekenning van immateriële schadevergoeding, proceskosten en griffierechtvergoeding aan belanghebbende.