Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de door de inspecteur vastgestelde belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) voor een geïmporteerde Honda CR-V. Zij stelde dat de handelsinkoopwaarde niet op het gemiddelde van drie tot vijf referentiemotorrijtuigen mocht worden gebaseerd, maar op de laagst denkbare waarde, omdat de referentievoertuigen niet identiek waren aan de auto.
De rechtbank oordeelde dat het taxatierapport niet voldeed aan de eisen van de Uitvoeringsregeling Bpm, omdat niet de handelsinkoopwaarde maar de vraagprijs minus 20% was gehanteerd. Desondanks achtte de rechtbank het gemiddelde van drie referentievoertuigen een redelijke benadering van de handelsinkoopwaarde, en zag geen strijd met het Unierecht.
Verder wees de rechtbank het verzoek om een kostenvergoeding af, omdat geen aan het bestuursorgaan toe te rekenen onrechtmatigheid was vastgesteld. Ook was de rechtbank niet bevoegd om over de rentevergoeding te oordelen en oordeelde zij dat het griffierecht niet buitensporig was en geen belemmering vormde voor toegang tot de rechter.
De redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep was niet overschreden. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de vaststelling van de Bpm werd ongegrond verklaard.