Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Motivering
uitspraak op het verzoek’, en in de eerste alinea is vermeld ‘
Omdat aan u inmiddels (…) een ambtshalve aanslag werd opgelegd, heb ik de ontvangen aangifte aangemerkt als een verzoek ambtshalve vermindering’. De beslissing luidt ‘
Ik wijs uw verzoek af’.
binnende bezwaartermijn van zes weken na de dagtekening van de ambtshalve aanslag. Verder heeft de inspecteur gemeld dat het beleid weliswaar specifiek geldt ter zake van een ambtshalve aanslag, [3] maar dat een vergelijkbaar beleid geldt ter zake van een aanslag die wordt opgelegd nadat eerder wel aangifte is gedaan. Indien na het opleggen van een dergelijke aanslag een herziene aangifte wordt gedaan, wordt die aangifte in behandeling genomen als een 9:6-verzoek en niet als bezwaar, ook niet indien de herziene aangifte binnen de bezwaartermijn is binnengekomen.
Belastingplichtigen die deze routing niet willen volgen, kunnen ook kiezen voor een rechtstreeks bezwaartraject.”
aanvullingen enbezwarentegen AH-aanslagen o.b.v. art. 9.6 IB voortaan als verzoek ambtshalve verminderingen zullen worden gaan behandeld” (onderstreping Rb). Het lijkt er dus in dat opzicht op dat wat betreft ambtshalve aanslagen er een zekere spanning is tussen de 19e Halfjaarsrapportage Belastingdienst en het beleid zoals dat uit het memo blijkt. Kennelijk is besloten om de ‘routing’ bezwaartraject niet open te stellen in het geval van een ambtshalve aanslag.
binnende bezwaartermijn een aangifte wordt gedaan naar een lager inkomen dan het inkomen waarop de aanslag is gebaseerd. De overwegingen hierna hebben betrekking op zo een geval (en dus niet het geval dat ruim na het einde van de bezwaartermijn een aangifte wordt ontvangen).
BNB1990/258, [5] waarin bovendien een rechtsregel is geformuleerd:
dat belanghebbende door toepassing van een gedeformaliseerde werkwijze niet in zijn rechtspositie is geschaad. Dit omwille van het feit dat op deze werkwijze een extra beoordelingsmogelijkheid wordt verkregen, zijnde bezwaar na uitspraak op verzoek. Belanghebbende is zodoende niet slechter, maar eigenlijk beter af.” Het zou in voorkomende gevallen inderdaad zo kunnen zijn dat een betrokkene beter af is met een extra beoordelingsmogelijkheid in de bestuurlijke fase. De stelling dat een betrokkene niet zijn rechtspositie wordt geschaad door de toepassing van de gedeformaliseerde werkwijze (behandeling als 9:6-verzoek in plaats van als bezwaar), kan echter niet in het algemeen, althans niet in al haar onderdelen, als juist worden beschouwd. De rechtbank wijst in dit kader op het volgende:
- De wet voorziet wel in de mogelijkheid van een kostenvergoeding voor de bezwaarfase maar niet in de mogelijkheid van een kostenvergoeding voor een 9:6-verzoekprocedure;
- Voor de behandeling van een bezwaar gelden diverse regels op het terrein van rechtsbescherming, zoals de regels inzake het horen en het voorschrift van artikel 10, derde lid, van de Awb, die niet (zonder meer, wettelijk geborgd) gelden voor de behandeling van een 9:6-verzoek.
- Voor degenen die het geschil zo snel mogelijk bij de rechter willen voorleggen is het een voordeel dat direct beroep kan worden ingesteld tegen een afwijzende beslissing op bezwaar; bij een afwijzende beslissing op een 9:6-verzoek is daarvoor de instemming van de inspecteur nodig (rechtstreeks beroep).
- De in aanmerking te nemen termijn voor de bepaling of de ‘redelijke termijn’ wordt overschreden, vangt als uitgangspunt later aan als een bericht niet als bezwaar wordt behandeld maar als een 9:6-verzoek.
alsde rechtbank tot het oordeel zou komen dat wel sprake is van een bezwaar, de bestreden uitspraak van 22 juni 2020 dan zou kunnen worden aangemerkt als een uitspraak op bezwaar, mede gelet op de proceseconomie. De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat dat niet het geval is: de uitspraak is een uitspraak op een 9:6-verzoek.
geenuitspraak is gedaan op het
wélgemaakte bezwaar , terwijl
weluitspraak is gedaan op een
nietdoor belanghebbende gedaan verzoek. De rechtbank heeft – gegeven het in 2.20 vermelde standpunt van de inspecteur – ter zitting aan de orde gesteld of het beroep dan mede kan worden opgevat als een beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. De inspecteur heeft dat bevestigd. In aanmerking genomen dat het beroepschrift gelet op zijn strekking ook mede zo kan worden opgevat en dat belanghebbende daardoor niet wordt benadeeld – integendeel daarmee wordt een rechtsingang geboden –, gaat de rechtbank daarvan ook uit.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: