ECLI:NL:RBZWB:2020:6127
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Veroordeling werkgever tot betaling resterende transitievergoeding na beëindiging slapend dienstverband
Werknemer was sinds 1989 in dienst en werd in 2014 arbeidsongeschikt, met een WIA-uitkering vanaf mei 2016. Na langdurige arbeidsongeschiktheid vroeg werknemer in 2019 beëindiging met wederzijds goedvinden en betaling van de transitievergoeding tot het einde van de loondoorbetalingsperiode. Partijen kwamen niet tot overeenstemming.
Werkgever vroeg in december 2019 toestemming aan het UWV voor opzegging wegens arbeidsongeschiktheid, welke werd verleend in januari 2020. De arbeidsovereenkomst eindigde per 31 juli 2020. Werkgever betaalde een lagere transitievergoeding dan werknemer vorderde.
De kantonrechter oordeelde dat de transitievergoeding berekend moet worden met peildatum 31 juli 2020, de datum van beëindiging, en niet op basis van het moment waarop werkgever de arbeidsovereenkomst had kunnen beëindigen (mei 2016). De compensatieregeling die per 1 april 2020 geldt, is hier niet van toepassing.
Werkgever werd veroordeeld tot betaling van het resterende bedrag van de transitievergoeding, inclusief wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, en tot het verstrekken van een deugdelijke specificatie. De overige vorderingen werden afgewezen.
Uitkomst: Werkgever is veroordeeld tot betaling van het resterende bedrag van de transitievergoeding met rente en incassokosten.