Eiser was sinds juni 2016 werkzaam bij een werkgever en werd in juli 2016 ziek. Het UWV kende hem een Ziektewet-uitkering toe op basis van een dagloon van €203,85. Later herzag het UWV dit dagloon naar €45,76 na een signaal van de ex-werkgever dat het dagloon onjuist was vastgesteld. Eiser maakte bezwaar tegen deze herziening, maar dit werd ongegrond verklaard. Vervolgens vorderde het UWV een bedrag van €65.231,78 terug als teveel betaalde uitkering, dat later werd verlaagd naar €50.591,00.
Eiser stelde dat het ontbreken van een hoorzitting in bezwaar onrechtmatig was en dat het rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel zich verzetten tegen de herziening. Ook voerde hij aan dat de terugvordering oncontroleerbaar was en dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van een hoorzitting niet tot benadeling had geleid, omdat eiser alsnog in beroep zijn standpunten mondeling en schriftelijk kon toelichten.
De rechtbank stelde vast dat het UWV terecht het dagloon had herzien en de uitkering met terugwerkende kracht had teruggevorderd. Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel faalde, mede omdat eiser voldoende opmerkzaamheid toonde. Dringende redenen om van terugvordering af te zien waren niet aannemelijk, mede omdat eiser geen aflossingscapaciteit had en beschermd werd door beslagvrije voetregels.
De beroepen werden ongegrond verklaard. Het UWV werd opgedragen het griffierecht van €47,- te vergoeden en veroordeeld in de proceskosten van €1.050,-. De uitspraak is gedaan door rechter E.J. Govaers op 22 december 2020.