Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, als middellijk bestuurder van [B.V. 1], is aansprakelijk gesteld voor onbetaalde naheffingsaanslagen loonheffing en omzetbelasting. De ontvanger was vanaf 11 mei 2012 op de hoogte van de betalingsonmacht van de BV, waardoor voor de periode november 2011 tot en met februari 2012 het wettelijk vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur geldt. De rechtbank bevestigt de aansprakelijkheid voor deze periode.
Voor de periode vanaf mei 2015 heeft de ontvanger aannemelijk gemaakt dat sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur door belanghebbende, onder meer door onzakelijke overdracht van bedrijfsactiviteiten aan een gelieerde BV, benadeling van de Belastingdienst als preferente schuldeiser en onzakelijke betalingen aan gelieerde partijen. De rechtbank acht dit voldoende voor aansprakelijkheid vanaf maart 2015.
Voor de periode tussen maart 2012 en april 2015 is geen kennelijk onbehoorlijk bestuur vastgesteld. De rechtbank beperkt daarom de aansprakelijkstelling tot de genoemde periodes en tot de openstaande bedragen aan loonheffing en omzetbelasting, exclusief boetes, rente en invorderingskosten. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de ontvanger in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: De aansprakelijkstelling van belanghebbende wordt beperkt tot loonheffing over november 2011 tot februari 2012 en loonheffing en omzetbelasting vanaf maart 2015 wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur.