ECLI:NL:RBZWB:2021:1593

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 april 2021
Publicatiedatum
1 april 2021
Zaaknummer
AWB- 20_5036
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 ParticipatiewetArt. 16 ParticipatiewetZorgverzekeringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op bijzondere bijstand voor tandartskosten wegens voorliggende voorziening

Eiser, die sinds 1992 een bijstandsuitkering ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor tandartskosten. Het college van burgemeester en wethouders van Breda wees deze aanvraag af, stellende dat de zorgverzekering een voorliggende voorziening is die toereikend en passend is. Eiser maakte bezwaar, dat eveneens ongegrond werd verklaard.

Eiser stelde dat het niet naar de tandarts kunnen gaan levensbedreigend is en dat hij door cumulatie van kosten niet kan reserveren. De rechtbank overwoog dat de Zorgverzekeringswet tandartskosten in beginsel dekt en dat bijzondere bijstand daarvoor niet kan worden verleend. Alleen bij zeer dringende redenen, zoals een acute levensbedreigende situatie, kan bijstand worden toegekend.

De rechtbank vond niet aannemelijk dat eiser een acute noodsituatie had en wees het beroep af. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep op bijzondere bijstand voor tandartskosten wordt ongegrond verklaard omdat de zorgverzekering een passende voorliggende voorziening is en geen acute noodsituatie is aangetoond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/5036 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (het college),verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 8 oktober 2019 (primair besluit) heeft het college eisers aanvraag voor bijzondere bijstand voor tandartskosten afgewezen.
In het besluit van 28 februari 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 22 februari 2021. Hierbij waren aanwezig eiser en namens het college [naam vertegenwoordiger 1] en [naam vertegenwoordiger 2] .

Overwegingen

1. Eiser ontvangt sinds 1 juli 1992 een bijstandsuitkering, laatstelijk op grond van de Participatiewet. Op 4 oktober 2019 heeft hij bijzondere bijstand aangevraagd voor tandartskosten.
Bij het primaire besluit heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een zogeheten voorliggende voorziening. Het college wijst in dat kader op de zorgverzekering. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening niet als noodzakelijk worden aangemerkt. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Beroepsgronden

2. Eiser stelt dat hij het niet eens is met de stelling van het college dat er geen sprake is van een levensbedreigende situatie; als hij nooit meer naar de tandarts zou gaan, dan is dat zeker levensbedreigend. Om te functioneren zijn dit noodzakelijke uitgaven. Ter zitting heeft eiser daaraan toegevoegd dat hij zoveel bijkomende kosten heeft dat, alles bij elkaar opgeteld, er niets overblijft om te reserveren.

Wettelijk kader

3. Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
Artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, het college toch bijstand kan verlenen, indien gelet op alle omstandigheden zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

Overwegingen

4. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), de hoogste rechter in dit soort zaken, volgt dat de Zorgverzekeringswet voor tandheelkundige kosten in beginsel een aan de Participatiewet voorliggende, toereikende en passende voorziening is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2084). In de Zorgverzekeringswet en het daarbij behorende Besluit Zorgverzekering is door de wetgever een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van de kosten van tandheelkundige behandelingen. Wanneer de kosten van een behandeling als noodzakelijk zijn aangemerkt, vallen ze onder de basisverzekering.
5. Gelet op het voorgaande geldt als uitgangspunt dat bijzondere bijstand voor tandartskosten niet kan worden verleend op grond van artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet. Dit staat los van de vraag of de tandartskosten daadwerkelijk (geheel of gedeeltelijk) worden vergoed door de zorgverzekering. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de zorgverzekering een passende en toereikende voorliggende voorziening is die aan bijstandsverlening in de weg staat.
6. In artikel 16 van Pro de Participatiewet is geregeld dat iemand die geen recht op bijstand heeft toch bijstand kan krijgen indien dit door zeer dringende redenen nodig is. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB moet daarvoor vaststaan dat er sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin iemand verkeert op geen enkele andere manier te verhelpen zijn, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Van een acute noodsituatie is sprake als een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2162).
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van dringende redenen op grond waarvan het college hem bijstand had moeten toekennen. Niet gebleken is immers dat bij eiser sprake is van een acute situatie van levensbedreigende aard, noch van een kans op blijvend ernstig letsel. De door eiser gestelde cumulatie van kosten is niet aan te merken als zeer dringende reden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 13 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2066).

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond.
9. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.