Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2021 in de zaak tussen
[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiseres heeft op 19 juli 2017 een verzoek tot naturalisatie ingediend dat door de staatssecretaris is afgewezen wegens onvoldoende bewijs van haar identiteit en nationaliteit. Eiseres overhandigde onder meer een geboorteakte, een jugement met uittreksel van het geboorteregister en een paspoort, maar het Bureau Documenten concludeerde dat de geboorteakte waarschijnlijk niet bevoegd was opgemaakt en afgegeven. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris terecht van deze conclusies mocht uitgaan, mede omdat eiseres onvoldoende gemotiveerd had gesteld dat het onderzoek onzorgvuldig was.
Daarnaast werd het jugement als onvoldoende bewijs beschouwd omdat het zonder verificatie kan worden verkregen en niet kan vaststaan dat de inhoud juist is. Het paspoort kon niet als bewijs dienen omdat niet duidelijk was op welke wijze de identiteit bij afgifte was vastgesteld. Eiseres voerde verder een beroep op bewijsnood, de hardheidsclausule en artikel 6 EVRM Pro aan, maar deze werden verworpen omdat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij alle mogelijke stappen had ondernomen om de juiste documenten te verkrijgen en omdat de omstandigheden niet zodanig bijzonder waren.
De rechtbank liet nieuwe in beroep ingebrachte documenten buiten beschouwing omdat deze niet tijdens de bezwaarprocedure waren overgelegd en niet betrekking hadden op de feiten ten tijde van het bestreden besluit. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar naturalisatieverzoek wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van identiteit en nationaliteit.