Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende verkreeg op 15 december 2017 aandelen in een onroerende zaakrechtspersoon (OZR) die behoort tot vier verbonden besloten vennootschappen. De verkrijging leidde tot een naheffing overdrachtsbelasting, welke belanghebbende betwistte met het argument dat doel en strekking van de wet heffing in dit geval uitsluiten, omdat er geen wijziging in de uiteindelijke gerechtigdheid plaatsvond en geen sprake was van misbruik.
De rechtbank oordeelde dat de wet, met name artikel 4 van Pro de Wet op belastingen van rechtsverkeer, geen grond biedt om heffing achterwege te laten bij afwezigheid van misbruik. De wetgever heeft het verbondenheidscriterium objectief geformuleerd en het is niet relevant of de heffing als onrechtvaardig wordt ervaren.
Verder stelde de rechtbank dat het niet van belang is dat de uiteindelijke gerechtigdheid tot de onroerende zaken niet is gewijzigd. De verkrijging van aandelen in een OZR die aan een verbonden lichaam toebehoorden, valt binnen de toepassingsvoorwaarden van de wet. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de naheffing gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffing overdrachtsbelasting bevestigd.