De zaak betreft een handhavingsverzoek tegen de gemeente Middelburg vanwege geluidsoverlast veroorzaakt door een skatebaan. Na meerdere eerdere procedures oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het gebruik van de skatebaan een overtreding oplevert van het verbod op geluidhinder volgens artikel 4.5 van de APV. De gemeente weigerde handhavend op te treden, stellende dat er concreet zicht op legalisatie was.
De rechtbank stelt vast dat de gemeente als eigenaar en exploitant van de skatebaan als overtreder moet worden aangemerkt, omdat zij de toestellen in werking heeft. Het college heeft een beginselplicht tot handhaving, tenzij er concreet zicht op legalisatie is, wat niet het geval is omdat er nog geen vergunningaanvraag is ingediend en geen overleg met omwonenden heeft plaatsgevonden.
De rechtbank beveelt daarom de skatebaan te sluiten met ingang van de dag na verzending van het vonnis tot twee weken na de nieuwe beslissing op bezwaar. Tevens veroordeelt zij het college tot vergoeding van het griffierecht, proceskosten en een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.