ECLI:NL:RBZWB:2021:4009

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 augustus 2021
Publicatiedatum
5 augustus 2021
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3648
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 11a Wet op de dividendbelasting 1965Afdeling 8.2.6 Algemene wet bestuursrechtWet Overige fiscale maatregelen 2008, artikel XXVI, leden 8 en 9
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoeken tot teruggaaf dividendbelasting op grond van Unierecht en drukvergelijking

Belanghebbende, gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2008 tot en met 2012. De rechtbank behandelde vier samenhangende zaken en hield een regiezitting op 29 april 2021.

Belanghebbende voerde aan dat op grond van het Unierecht recht op teruggaaf bestaat omdat hij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi) en dat hij niet zwaarder belast mag worden dan een vergelijkbaar Nederlands beleggingsfonds (drukvergelijking). De rechtbank stelde de zaken aan de kant in afwachting van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Na ontvangst van het verweerschrift gaf belanghebbende aan geen mondelinge behandeling te wensen.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht de verzoeken heeft afgewezen. De Hoge Raad heeft reeds beslist dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor afdrachtvermindering dividendbelasting. Het beroep op de drukvergelijking faalt omdat belanghebbende geen berekening heeft overgelegd. Tevens bestaat geen recht op rentevergoeding over de ingehouden dividendbelasting.

Gelet op deze overwegingen verklaart de rechtbank de beroepen ongegrond en ziet zij geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de verzoeken om teruggaaf dividendbelasting worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummers BRE 16/3648 tot en met 16/3651
uitspraak van 5 augustus 2021
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], gevestigd te [plaats] (Verenigd Koninkrijk),
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
De bestreden uitspraken op bezwaar
De uitspraken van de inspecteur van 26 april 2016 op de bezwaren van belanghebbende tegen de tegen de afwijzing van de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de volgende periodes, waaraan de rechtbank de volgende zaaknummers heeft toegekend:
  • het tijdvak 1 oktober 2008 tot en met 30 september 2009 (zaaknummer 16/3648);
  • het tijdvak 1 oktober 2009 tot en met 30 september 2010 (zaaknummer 16/3649);
  • het tijdvak 1 oktober 2010 tot en met 30 september 2011 (zaaknummer 16/3650);
  • het tijdvak 1 oktober 2011 tot en met 30 september 2012 (zaaknummer 16/3651).
Zitting
Een regiezitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2021. Na afronding van het vooronderzoek is het onderzoek ter zitting ingevolge artikel 8:57, eerste lid, van de Awb achterwege gebleven.

1.Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

2.Gronden

2.1.
Belanghebbende heeft – kort gezegd – gesteld, met een beroep op het Unierecht, dat recht op teruggaaf van dividendbelasting bestaat omdat belanghebbende vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (hierna: fbi) en dat recht op teruggaaf van dividendbelasting bestaat omdat belanghebbende niet zwaarder mag worden belast dan een met hem vergelijkbaar Nederlands beleggingsfonds dat is onderworpen aan de heffing van vennootschapsbelasting (hierna: drukvergelijking).
2.2.
De zaken zijn aangehouden in afwachting van de beantwoording door de Hoge Raad van prejudiciële vragen die door deze rechtbank zijn gesteld. Onder meer de onderhavige zaken zijn behandeld op een regiezitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 29 april 2021. Bij brief van 1 juni 2021 heeft belanghebbende meegedeeld de zaken zonder nadere motivering voort te zetten. Nadat het verweerschrift is ingediend, heeft belanghebbende bij brief van 15 juli meegedeeld dat hij geen mondelinge behandeling ter zitting zal bijwonen.
2.3.
Gezien het overgangsrecht van artikel XXVI, leden 8 en 9, van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 [1] , is – kort gezegd – voor teruggaafverzoeken met betrekking tot de boekjaren vanaf het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2008 het regime van de afdrachtvermindering [2] van belang.
2.4.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht de teruggaafverzoeken heeft afgewezen. De Hoge Raad heeft beslist dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door de omstandigheid dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen, in verband met het gegeven dat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de regeling van de afdrachtvermindering. [3]
2.5.
Belanghebbendes beroep op de drukvergelijking faalt, reeds omdat belanghebbende geen berekening heeft aangeleverd voor de drukvergelijking.
2.6.
Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, heeft belanghebbende evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.
2.7.
Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen ongegrond verklaard.
2.8.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R.T. Pauwels, voorzitter, mr. S.A.J. Bastiaansen en mr. J.P.M. Kooijmans, rechters, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier, op 5 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De voorzitter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Voetnoten

1.Stb. 2007, 563.
2.Artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965.