Belanghebbende, een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde onderneming, verzocht om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2006-2011. De rechtbank oordeelde dat de verzoeken terecht zijn afgewezen omdat belanghebbende geen dividendnota's overlegde voor de relevante perioden, waardoor niet aannemelijk was dat Nederlandse dividendbelasting ten laste van hem was ingehouden.
Daarnaast stelde belanghebbende dat hij vergelijkbaar was met een fiscale beleggingsinstelling (fbi) en dat een drukvergelijking recht op teruggaaf zou geven. De rechtbank volgde dit niet, mede omdat niet was aangetoond dat aan de dooruitdelingseis werd voldaan en omdat geen berekening voor de drukvergelijking was aangeleverd.
Voor de perioden vanaf 1 januari 2008 was het regime van de afdrachtvermindering van toepassing. De Hoge Raad heeft echter bepaald dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor deze tegemoetkoming. Zelfs als er sprake zou zijn van een ongerechtvaardigde belemmering, zou rechtsherstel niet tot een teruggaaf kunnen leiden.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en wees ook de rentevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 27 mei 2021.