Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van een verzoek om teruggaaf van dividendbelasting over het tijdvak van 1 mei 2005 tot en met 30 april 2006. De rechtbank heeft het beroep behandeld zonder aanhouding, ondanks lopende zaken over vergelijkbare kwesties in hoger beroep.
Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat op grond van het Unierecht recht bestaat op teruggaaf omdat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi). De rechtbank heeft geoordeeld dat voor boekjaren die aanvangen vóór 1 januari 2008 het overgangsrecht van toepassing is, waarbij de teruggaafregeling voor fbi’s geldt.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht het verzoek heeft afgewezen omdat belanghebbende niet heeft ingestemd met een vervangende betaling zoals voorgeschreven door de Hoge Raad in zijn beslissing van 23 oktober 2020. De rechtbank ziet geen aanleiding voor ander rechtsherstel of het stellen van prejudiciële vragen. Ook de klacht over onduidelijkheden in het rechtsherstel wordt verworpen wegens gebrek aan onderbouwing. Omdat geen recht op teruggaaf bestaat, is ook geen recht op rentevergoeding over de ingehouden dividendbelasting. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om teruggaaf van dividendbelasting wordt ongegrond verklaard.