Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn verzoek om teruggaaf van dividendbelasting over het tijdvak van 1 juni 2007 tot en met 31 mei 2008. Hij stelde zich op het standpunt dat op grond van het Unierecht recht bestaat op teruggaaf omdat hij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi).
De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk behandeld en geoordeeld dat de inspecteur terecht het verzoek heeft afgewezen. Belanghebbende heeft, ondanks gelegenheid daartoe, niet kenbaar gemaakt in te stemmen met een vervangende betaling zoals bedoeld in de beslissing van de Hoge Raad van 23 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1674). Hierdoor bestaat geen recht op teruggaaf.
De rechtbank zag geen aanleiding om een andere wijze van rechtsherstel toe te passen of prejudiciële vragen te stellen. De klacht over onduidelijkheden in het rechtsherstel werd verworpen wegens gebrek aan onderbouwing. Omdat geen recht op teruggaaf bestaat, bestaat ook geen recht op rentevergoeding over de ingehouden dividendbelasting.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Er werd ook geen aanhouding verleend in afwachting van de Deka-zaak in hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het teruggaafverzoek dividendbelasting is ongegrond verklaard.