Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende verzocht om teruggaaf van dividendbelasting over het tijdvak van 1 mei 2007 tot en met 30 april 2008. De inspecteur wees dit verzoek af, waarop belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.
Tijdens de regiezitting op 7 juni 2021 werd besloten het onderzoek ter zitting achterwege te laten. De rechtbank overwoog dat het beroep niet aangehouden wordt in afwachting van de Deka-zaak in hoger beroep. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat op grond van Unierecht recht bestaat op teruggaaf omdat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur terecht het verzoek afwees, omdat belanghebbende niet instemde met een vervangende betaling zoals bedoeld in de beslissing van de Hoge Raad van 23 oktober 2020. Hierdoor bestaat geen recht op teruggaaf. Ook een beroep op andere vormen van rechtsherstel werd verworpen. De rechtbank wees het beroep af en veroordeelde niet tot proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot teruggaaf van dividendbelasting is ongegrond verklaard.