Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van een verzoek om teruggaaf van dividendbelasting over het tijdvak van 1 mei 2007 tot en met 30 april 2008. De rechtbank heeft het beroep behandeld zonder nader onderzoek ter zitting.
Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat op grond van het Unierecht recht bestaat op teruggaaf omdat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling. De rechtbank oordeelde dat voor boekjaren die aanvangen vóór 1 januari 2008 het overgangsrecht van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 van toepassing is, waarbij de teruggaafregeling voor fbi’s relevant is.
De rechtbank concludeerde dat de inspecteur terecht het verzoek heeft afgewezen omdat belanghebbende niet heeft ingestemd met een vervangende betaling zoals bedoeld in de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:1674). De rechtbank zag geen aanleiding om een ander rechtsherstel toe te passen of prejudiciële vragen te stellen.
Omdat geen recht op teruggaaf bestaat, is ook geen recht op rentevergoeding over de ingehouden dividendbelasting. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard omdat belanghebbende niet instemde met de vereiste vervangende betaling voor teruggaaf dividendbelasting.