Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen uitspraken van de inspecteur die verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2002-2007 heeft afgewezen. De rechtbank heeft tijdens een regiezitting op 7 juni 2021 het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en de beroepen inhoudelijk behandeld.
Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat op grond van het Unierecht recht op teruggaaf bestaat omdat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi). De rechtbank oordeelde dat voor de betreffende boekjaren het overgangsrecht van artikel XXVI van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 geldt, waarbij de teruggaafregeling voor fbi’s relevant is.
De rechtbank concludeerde dat de inspecteur terecht de verzoeken heeft afgewezen omdat belanghebbende niet heeft ingestemd met een vervangende betaling zoals bedoeld in de beslissing van de Hoge Raad van 23 oktober 2020. Er was geen aanleiding tot prejudiciële vragen of ander rechtsherstel. Ook de klacht over onduidelijkheden in het rechtsherstel faalde wegens gebrek aan onderbouwing. Omdat geen recht op teruggaaf bestaat, is ook geen recht op rentevergoeding. De beroepen zijn ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.