Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 1 juni 2003 tot en met 31 mei 2006. De rechtbank heeft tijdens een regiezitting op 7 juni 2021 het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en de beroepen inhoudelijk behandeld.
Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat op grond van het Unierecht recht bestaat op teruggaaf omdat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi). De rechtbank oordeelde dat voor de betreffende boekjaren het overgangsrecht van artikel XXVI van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 van toepassing is, waarbij de teruggaafregeling voor fbi’s relevant is.
De rechtbank concludeerde dat de inspecteur terecht de verzoeken heeft afgewezen, omdat belanghebbende niet heeft ingestemd met een vervangende betaling zoals bedoeld in de beslissing van de Hoge Raad van 23 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1674). Ook zag de rechtbank geen aanleiding om een andere wijze van rechtsherstel te bieden of prejudiciële vragen te stellen. De klacht over onduidelijkheden in het rechtsherstel werd niet nader onderbouwd en faalde eveneens.
Omdat geen recht op teruggaaf bestaat, volgt dat ook geen recht op rentevergoeding over de ingehouden dividendbelasting bestaat. De beroepen zijn daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.