Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn verzoek om teruggaaf van dividendbelasting over de periode van 1 juni 2007 tot en met 31 mei 2008. De rechtbank heeft tijdens een regiezitting op 7 juni 2021 het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het beroep inhoudelijk behandeld.
Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat op grond van Unierecht recht bestaat op teruggaaf omdat hij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi). De rechtbank oordeelde dat voor boekjaren die aanvangen vóór 1 januari 2008 het overgangsrecht van toepassing is, waarbij de teruggaafregeling voor fbi’s geldt.
De rechtbank concludeerde dat de inspecteur terecht het verzoek heeft afgewezen omdat belanghebbende, ondanks gelegenheid daartoe, niet heeft ingestemd met een vervangende betaling zoals bedoeld in de beslissing van de Hoge Raad van 23 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1674). Hierdoor bestaat geen recht op teruggaaf en evenmin op rentevergoeding. De rechtbank zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen of ander rechtsherstel en wees het beroep af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om teruggaaf van dividendbelasting is ongegrond verklaard omdat geen instemming met vervangende betaling is gegeven.